Wie kent niet de film Rainman waarin Dustin Hoffmann een autistische man speelt die de moeilijkste wiskundevraagstukken kan oplossen en weet welke vliegtuigongelukken er allemaal zijn geweest? Deze persoon gedraagt zich als een typisch klassieke autist. Er zijn verschillende vormen van autisme, maar bij elke variant geldt dat zintuiglijke waarnemingen op een andere manier de hersenen binnenkomen. Bij mensen zonder autisme maken de hersenen er automatisch een geheel van. Heel veel bomen bij elkaar is een bos. Daar denk je niet over na. Maar autisten zien heel veel bomen. Ze kunnen eigenlijk niet zo goed onderscheiden wat zinvolle informatie is en wat niet. Ze zien, horen, ruiken, proeven en voelen álles. En dat is veel. Mensen met autisme raken hiervan in de war en worden vaak ook bang. Ze vinden het moeilijk te begrijpen wat er écht is, wat gaat komen of wat er is geweest.
Sommige autisten kunnen best zelfstandig leven, in een eigen huis. Anderen wonen onder professionele begeleiding. Veel mensen met autisme hebben ook andere problemen zoals depressie of angst.
Als je autisme hebt, ervaar je de wereld om je heen als chaos. Daarom vind je het prettig als alles in een vaste volgorde gaat. Je kunt er slecht tegen als dingen veranderen of anders gaan dan je van te voren had gedacht. Dan begrijp je de wereld niet meer. Je wordt bang. Waarschijnlijk vind je het moeilijk en ingewikkeld om met anderen om te gaan. Vaak snap je niet wat gebaren of lichaamstaal betekenen en daardoor begrijp je niet wat iemand eigenlijk bedoelt. Grapjes heb je ook meestal niet door. Je vindt het ook lastig aan te voelen wanneer je een gesprek begint, wanneer de ander aan de beurt is om iets te zeggen, wanneer je een gesprek eindigt en hoe je ziet dat de ander nog geïnteresseerd is in wat jij te zeggen hebt. Dat komt doordat je het heel lastig vindt om je in te leven in anderen. Als je iemand ziet huilen, dan ben je eerder onder de indruk van het vocht dat uit zijn of haar ogen stroomt dan dat je je druk maakt over wat er met die persoon aan de hand zou zijn.
Ook neem je alles vaak heel letterlijk. Zo kan het zijn dat iemand met autisme niet in het donker naar buiten durft omdat hij iemand heeft horen zeggen dat ‘de nacht valt’. Een nacht kan niet vallen, hiermee wordt bedoeld dat het langzaam avond en donker wordt. Als je autisme hebt, dan praat je het liefst over de onderwerpen waar jij door gefascineerd bent (en dat kunnen de meest onverwachte dingen zijn, zoals: spoorwegboekjes of landkaarten) omdat je hier rustig van wordt. Het zorgt voor duidelijkheid in de wereld die jij als chaotisch ervaart. Misschien vind je het ook verwarrend wat je in bepaalde situaties nu wel of niet moet of mag doen. Want waarom zoen je je moeder bij het afscheid, maar de mevrouw achter de kassa niet? Als je autisme hebt, dan moet je dit soort dingen leren en onthouden. Het wordt nooit een automatisme.
Er zijn een aantal vormen van autisme; klassiek autisme, Asperger en PDD-NOS. Voor alle mensen met autisme geldt dat zij op sociaal gebied en in de communicatie problemen hebben. Het onderscheid tussen de verschillende soorten autisme is zelfs voor deskundigen vaak moeilijk te maken.
Bij de ene mens met autisme ligt het accent op de sociale problemen, bij de ander staan de communicatieproblemen meer op de voorgrond of is het een combinatie. Vaak ligt het ook nog aan de situatie welk kenmerk meer opvalt.
Sommige autisten gedragen zich bijvoorbeeld op school als een klassieke autist, maar thuis als iemand met Asperger. Op school is het vaak drukker dan thuis en dat kan chaotischer of enger zijn dan thuis waar het rustiger en overzichtelijker is. Daar reageert iemand met autisme op.
Het grootste verschil tussen een klassiek autist en een Asperger is dat hun taalontwikkeling anders gaat. Een klassieke autist kan het bijvoorbeeld moeilijk vinden om te leren praten. Hij moet dat oefenen met foto’s of plaatjes. En als ze kunnen praten, dan kiezen ze soms aparte woorden die iemand zonder autisme niet zo snel zou gebruiken en ze herhalen veel. Bijvoorbeeld als iemand vraagt: ‘Wil je cola?’ Dan antwoorden ze niet: ‘Ja, ik wil cola’, maar ‘Wil je cola’. Zonder vraagteken. Iemand met Asperger kan zonder foto’s en plaatjes leren praten, maar dat betekent niet dat hij goed kan communiceren. Het sociale deel (dus bijvoorbeeld aanvoelen wanneer je ergens over moet ophouden of wanneer het jou beurt is om te praten), vinden ze lastig. Kinderen met Asperger gebruiken vaak woorden die niet bij hun leeftijd passen. Hierdoor lijkt het alsof ze erg slim zijn. Op school en tijdens de studie kunnen mensen met Asperger vaak ook goed mee komen. Het gaat pas mis als het bijvoorbeeld pauze is, ze op schoolreisje gaan of stage moeten gaan lopen. Want dan moet je namelijk sociaal zijn en kunnen communiceren. En daar hebben ze problemen mee. Dan is er nog een derde categorie die PDD-NOS heet. Dit is een groep mensen die zowel niet in het één hokje van klassiek autisme of Asperger passen, maar wel kenmerken van autisme laten zien.
De meeste psychische stoornissen zijn er al vanaf je geboorte. Ze zitten in je genen. Ze zijn in aanleg aanwezig. Je kunt het zien als een tv die op stand by staat. Pas als het knopje ‘aan’ wordt ingedrukt, gebeurt er iets. In dit geval in je lijf en in je hoofd. Dat knopje kan op verschillende momenten en op de meest uiteenlopende manieren worden ingedrukt. Als je wordt geboren met autisme of ADHD, dan zijn de symptomen meteen al te merken. Andere stoornissen, zoals schizofrenie of borderline, gaan ‘aan’ als je wat ouder bent. Maar dat hoeft niet altijd. Bij sommigen blijft de stoornis hun hele leven op stand by staan. Als jij bijvoorbeeld een geweldige jeugd hebt, met superouders en andere mensen die je vertrouwt en bij wie je je veilig voelt, het gaat goed op school en er zijn genoeg leuke dingen die je doet, dan krijg je misschien geen last van die stoornis. Maar als je bijvoorbeeld veel nare dingen meemaakt in je jeugd óf je hebt een wat somberder karakter, dan kan het knopje worden ingedrukt.
Maar dit is niet voor twee mensen hetzelfde. Ook al word je met aanleg voor dezelfde stoornis geboren, heb je precies dezelfde jeugd en hetzelfde karakter, dan nog kan het zijn dat die ander last van de stoornis krijgt en jij niet. Niemand weet precies hoe die stoornissen ontstaan. Daarom wordt er veel onderzoek naar gedaan. Het enige wat wel zeker is, is dat het gaat om een samenspel van biologische, sociale en psychologische factoren. Misschien is er in je familie wel iemand die hetzelfde heeft (biologische factor). Het kan ook komen doordat je opgroeit in een omgeving met omstandigheden die kunnen bijdragen aan het ontwikkelen van ADHD (sociale factor). Bijvoorbeeld: als één of beide ouders ADHD heeft, dan heeft dit invloed op de opvoeding. Ouders met ADHD vinden het vaak moeilijk om bijvoorbeeld te plannen en te organiseren. Kinderen met ADHD hebben juist veel behoefte aan structuur. Als ouders dat niet genoeg kunnen geven, kunnen zij meer last krijgen van hun stoornis. Hetzelfde geldt voor school. Als daar niet genoeg orde heerst, maakt dit het nog moeilijker voor iemand met ADHD om z’n aandacht bij de les te houden en zich te concentreren.
En dan is er nog het deel dat zich in je eigen persoonlijkheid of karakter afspeelt (psychologische factor). Zij vinden het vaak moeilijk om een direct verband te zien tussen hun gedrag en de gevolgen daarvan. Een beloning moet vaak zeer expliciet en interessant zijn, anders hebben deze jongeren niet door dat zij beloond worden. De beloning moet ook direct volgen op het gedrag zodat het verband duidelijk is. Een materiele beloning is vaak duidelijker dan een sociale beloning zoals een complimentje. Wat overigens niet wil zeggen dat een beloning altijd materieel moet zijn! Het prettige van belonen is dat er aandacht wordt besteed aan het positieve gedrag. Als er te weinig beloning wordt gegeven, kan het ADHD gedrag worden versterkt. Je krijgt dan immers niet de kans om te leren hoe het wel moet, wat er wel van je verwacht wordt.
Omdat iemand met ADHD al heel vaak te horen krijgt wat er níet goed aan hem is (veel mensen vinden het lastig om een heel druk iemand in de buurt te hebben, in de klas of thuis in de huiskamer), is het juist zo fijn dat diegene merkt dat er ook iets goeds aan hem is. Door heel duidelijke beloningen te krijgen, kan iemand met ADHD ook beter aanleren wat er van hem verwacht wordt.
Er zijn ook factoren die ervoor kunnen zorgen dat het knopje niet aan gaat. Bijvoorbeeld dat je mensen in je buurt hebt waar je terecht kan en bij wie je je veilig voelt.
In Nederland zijn er ongeveer 190.000 mensen met autisme. Het lijkt wel of er steeds meer bij komen. Dat komt doordat er meer bekend is over deze stoornis en de symptomen die hier bij horen. Ouders, leerkrachten en hulpverleners hebben het nu eerder in de gaten als iemand autistisch is. De laatste jaren wordt ook bij steeds meer volwassenen autisme ontdekt. Vaak merkt de partner iets aan diegene of herkent de vader of moeder van een kind met autisme dezelfde kenmerken bij zichzelf.
Verder is onze maatschappij vergeleken met dertig jaar geleden een stuk ingewikkelder. Vroeger was er een duidelijke rolverdeling tussen man en vrouw, het was duidelijk hoe je je tegenover de meester op school moest gedragen of tegen je baas op het werk. Alle sociale regels waren duidelijker. Voor mensen met autisme was dat prettiger. Nu zijn die sociale regels niet meer zo strak als vroeger. Er wordt veel meer dan vroeger verwacht dat je flexibel bent, goed kan samenwerken en bijvoorbeeld grappig bent. Mannen en vrouwen zijn gelijk, de meester heet nu Jan en de baas is jij en jou. Dat maakt het voor mensen met autisme een stuk ingewikkelder. Daardoor lopen ze eerder en vaker tegen problemen aan en komen ze ook vaker en eerder bij de hulpverlening terecht. Er worden meer eisen gesteld op het gebied van sociale contacten en communicatie. Ook het onderwijs is veranderd. Vroeger werden de lessen klassikaal gegeven. De juf of meester gaf duidelijke opdrachten. Nu moeten jongeren zelf planningen maken en samenwerken. En in plaats van simpele rekensommen zoals 1 + 1, bestaan opdrachten nu uit een verhaal waaruit de leerling zelf moet zien te snappen wat de vraag is. Hierdoor raken jongeren met autisme eerder in de problemen. Die kunnen vaak niet onderscheiden wat de belangrijkste informatie is. Ze raken de weg kwijt tijdens het lezen.
Autisme is voor een groot deel erfelijk. Als een volwassene met autisme kinderen krijgt, is de kans groot dat het kind ook autisme heeft. Het komt vaker voor bij jongens en mannen dan bij meisjes en vrouwen. Waar dit precies door komt, weten onderzoekers nog niet.
Om er precies achter te komen waar je gedrag en gevoelens mee te maken hebben, moet je onderzocht worden. Als je een bot breekt, is dat simpel: er wordt een röntgenfoto gemaakt, het bot wordt weer aan elkaar gezet, je krijgt er gips omheen en na een aantal weken is het genezen. Met psychische stoornissen is het vaak een stuk moeilijker om erachter te komen wat je precies hebt. Ook bij autisme kan dat lastig zijn.
Bij sommige kinderen zijn de symptomen van autisme zo sterk aanwezig dat het al duidelijk wordt als ze twee of drie jaar zijn. Maar soms is het pas te merken dat een kind zich anders gedraagt dan leeftijdsgenoten als hij of zij naar school gaat. Het kan ook dat autisme nóg later pas voor problemen zorgt. Bijvoorbeeld als iemand van de basisschool naar de middelbare school gaat, op kamers gaat wonen of stage gaat lopen. Dit zijn van die situaties waarin de vertrouwde veilige wereld verandert. Iedereen moet in dit soort situaties even wennen, maar bij mensen met autisme levert het echt problemen op.
De huisarts kan niet vaststellen of je autisme hebt. Die moet je doorverwijzen naar een psychiater of psycholoog. Ben je tussen de 12 en 16 jaar dan moet je altijd samen met je ouders of iemand die officieel gezag over je heeft (bijvoorbeeld je voogd).Als je onder de zestien bent, moet je altijd samen met je ouders of iemand die officieel het gezag over je heeft (bijvoorbeeld een voogd). Zo staat het in de wet. Boven de zestien hoeft dat niet.
Wel is het goed te weten dat alle medici, en dus ook psychologen en psychiaters, een geheimhoudingsplicht hebben. Dit betekent dat ze alleen informatie over jou mogen geven aan de mensen die je behandelen. Alleen met jouw toestemming en als je onder de zestien bent met de goedkeuring van je ouders, mogen ze het aan anderen (bijvoorbeeld je docent of sportleraar) vertellen.
Alleen een psychiater of een psycholoog mag een diagnose stellen over een psychiatrische stoornis.
Die psychiater of psycholoog voert een aantal gesprekken met jou en vaak ook met belangrijke personen uit je omgeving zoals je ouders of leerkracht. Hij vraagt natuurlijk naar je klachten, maar wil ook weten hoe het op school en thuis gaat. Ook wil hij erachter komen hoe je omgaat met gebeurtenissen en of er iets is gebeurd waardoor je klachten zouden kunnen zijn ontstaan. Hij zal proberen te begrijpen op wat voor manier jij naar de wereld, de mensen om je heen en situaties kijkt en wat je sterke en zwakkere kanten zijn. Soms moet je ook een vragenlijst invullen. Die kan gaan over hoe je je voelt of wat je denkt, maar bijvoorbeeld ook over je eetgewoonten of waar je bang voor bent.
Daarnaast kan er ook iemand bij je op school of thuis komen kijken hoe het daar met je gaat en hoe je je gedraagt. En soms ga je ook praten met een fysiotherapeut, logopedist of dramatherapeut. Dit hangt allemaal af van waar je last van hebt of tegenaan loopt en welke vragen de psychiater of psycholoog nog heeft.
Alle informatie bij elkaar wordt gebruikt om te bepalen óf en welke stoornis je eventueel hebt. Daarvoor gebruiken psychiaters en psychologen een boek waarin per stoornis staat aan welke symptomen je moet voldoen om te kunnen zeggen dat je die stoornis hebt. Een symptoom is een klacht. Pas als je een bepaald aantal symptomen hebt, is er sprake van een stoornis. Dan kan je daarvoor behandeld worden.
Als de psychiater of psycholoog vaststelt dat je autisme hebt, kijkt hij samen met jou welke behandeling het beste bij je past en waar je het meest aan zult hebben. Soms is het ’t beste dat je één keer per week een uurtje met je behandelaar praat. Soms is het beter om meerdere keren te komen bij dezelfde behandelaar of juist bij verschillende behandelaren. En soms kan je een tijdje opgenomen worden. Dit gebeurt alleen als je een gevaar voor jezelf of je omgeving bent, bijvoorbeeld als je jezelf hebt uitgehongerd, verwond of dat je zó agressief bent dat je iemand zou kunnen verwonden. Alleen in dit soort situaties mag er zonder jouw toestemming en/of de toestemming van je ouders of verzorgers met een behandeling worden begonnen. Verder mag jij altijd een behandeling weigeren of stoppen. Wel is het zo dat de hulpverleners kunnen beslissen je niet meer te behandelen als je overal nee op zegt.
Als je tussen de twaalf en zestien jaar bent, moeten zowel jij als je ouders toestemming geven voor de behandeling. Boven de zestien geef alleen jij toestemming voor de behandeling.
Als je toestemming voor de behandeling hebt gegeven, dan maken jullie afspraken die worden vastgelegd in een behandelcontract. Daarin staat precies geschreven wat jullie gaan doen, welke doelen je wilt gaan halen. Ook staat er wanneer jullie gaan kijken hoe het gaat met de behandeling en wat er eventueel anders moet.
Er zijn veel verschillende behandelvormen, vaak werkt een combinatie van verschillende behandelvormen het beste. Je kunt individuele gesprekken hebben of in een groep met andere jongeren. Er is ook dramatherapie, dan ga je bijvoorbeeld via rollenspelen en gedichten schrijven proberen je angsten of sombere gevoelens te overwinnen of je impulsieve gedrag onder controle te krijgen. Bij een sociale vaardigheidstraining leer je hoe je zonder problemen of spanningen om kan gaan met andere mensen. Er zit vast iets tussen wat jou wat lijkt en bij jou en je problemen past!
Het belangrijkste doel van de behandeling is natuurlijk dat je klachten minder worden. Daarnaast ga je allerlei vaardigheden oefenen die belangrijk zijn voor je ontwikkeling en geestelijke gezondheid. Als dat nodig is, leer je bijvoorbeeld hoe je positiever kan gaan denken (over jezelf) of op een prettige manier contact kunt maken of hebben met anderen. Autisme is aangeboren en niet te genezen. Maar er zijn wel behandelingen die kunnen helpen om het leven met autisme wat makkelijker te maken. De persoon leert dan zijn taal te ontwikkelen en vooral hoe je taal of andere middelen als plaatjes of foto’s kan gebruiken om te communiceren, sociaal en emotioneel sterker te worden en wat flexibeler om te gaan met veranderingen.
Ook je ouders en/of school kunnen hulp aangeboden krijgen. Zij krijgen bijvoorbeeld uitleg over jouw stoornis waardoor ze je beter zullen begrijpen. Ook krijgen ze tips hoe zij jou kunnen helpen je weer prettiger in je vel te laten voelen. En ze worden zelf ook niet vergeten. De meeste ouders hebben veel voor hun kinderen over en willen ze graag helpen. Maar zorgen voor iemand met een stoornis kan erg ingewikkeld zijn en veel van ouders vragen. En het is natuurlijk niet de bedoeling dat je ouders hierdoor instorten. Dit kan voorkomen worden als ze meer van jouw problemen begrijpen. Als ouders het gevoel hebben dat zij weten hoe zij hun kind kunnen begeleiden voelen zij zich sterker. Daarnaast leren zij hoe zij ook voor zich zelf en je eventuele broers en zussen kunnen blijven zorgen.
Medicijnen kunnen autisme niet genezen, maar ze verminderen wel de problemen die daarbij voor kunnen komen. Zo kunnen sociale contacten makkelijker worden en slaapproblemen verminderen. Medicijnen kunnen de therapeutische behandeling en de begeleiding ondersteunen. Doordat iemand met autisme door de medicijnen rustiger in z’n hoofd wordt, staat hij meer open voor waarmee zijn ouders, leerkrachten en hulpverleners hem willen helpen.
Kijk voor meer boeken op www.autismeboek.nl
Reacties
heel erg bedankt voor de tip, ik zal meteen gaan kijken!!
Greetzz ( alweer ) Shaktii
Dank je wel voor je complimenten! Wat fijn dat je iets aan het artikel over autisme gehad hebt! Ik heb nog een tip. De site www.brusjes.nl is speciaal gemaakt voor broers (Br) en zusjes (usjes) van kinderen met een vorm van autisme. Daar vind je nog meer tips en kun je bijvoorbeeld ook adressen vinden van organisaties die cursussen organiseren voor broers en zussen van kinderen met autisme.
Groetjes, Isja van www.mindmasters.nl
ik wil alleen ff zeggen dat dit echt een hele informatieve site is,
zelf vind ik het wel handig, want mijn broertje heeft autisme, en hij praat nog niet,
dus het is wel handig om te weten dat je door middel van plaatjes of zo iets veel duidelijker kan maken!!
Heel erg bedankt voor al deze informatie!!
Greetzz
Shaktii
Ik snap dat je op zoek bent naar een bevestiging. Maar, dan is het wel handig om iets meer over jezelf los te laten. Ik begrijp ook dat dat lastig kan zijn. Als je hier met mij over wil chatten, dan is dat zeker mogelijk.
Je kunt een chatafspraak maken door te klikken op de chatbutton, of door online te gaan tijdens onze chattijden op maandag t/m donderdag tussen 16.00 - 17.00 uur.
Groeten!
coach ggz jeugdinfo
en soms zou ik wel een bevestiging willen maarja